04/06/2020

#coronavirus (51) Waarom de basisbeginselen van publiekrecht in tijden van Corona ook belangrijk bljven

Bij drie beschikkingen van 20 april 2020 heeft de kamer in kort geding van de Rechtbank van eerste aanleg Luxemburg, afdeling Marche-en-Famenne, de volgende prejudiciële vraag gesteld:

'Schendt artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 23 van de Grondwet, door bepaalde veroordeelde personen ambtshalve uit te sluiten en door aldus niet voor elke veroordeelde die behoort tot de risicogroep van personen die kwetsbaar zijn voor het ontwikkelen van ernstige symptomen door het coronavirus COVID-19, te voorzien in die mogelijkheid tot toekenning van strafonderbreking mits voorwaarden worden nageleefd ?'

De verwijzende rechter vroeg het Grondwettelijk Hof met andere woorden om het betrokken koninklijk besluit te toetsen aan de Grondwet.

Het Hof antwoordde in zijn arrest van 4 juni 2020 met nr. 83/2020 als volgt:

'B.1.2. Noch artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, genomen ter uitvoering van artikel 142 van de Grondwet, noch enige andere grondwets- of wetsbepaling verlenen aan het Hof de bevoegdheid om, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van de bepalingen van een koninklijk besluit, zij het aangenomen krachtens een wet waarbij aan de Koning bijzondere machten worden toegekend, met de artikelen van titel II ('De Belgen en hun rechten').

B.1.3. Het is pas wanneer een koninklijk besluit het voorwerp uitmaakt van een wettelijke bekrachtiging dat het zelf, vanaf de datum van inwerkingtreding van de bekrachtigingswet, een wetskrachtige norm wordt. Het Hof is dan bevoegd om te toetsen of de bekrachtigingswet, die de bepalingen van het koninklijk besluit heeft overgenomen, niet een van de grondwetsbepalingen schendt waarvan het de inachtneming dient te verzekeren.

[...]

B.3. Het voormelde koninklijk besluit nr. 3 is genomen op grond van de artikelen 2 en 5 van de wet van 27 maart 2020 « die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) ». Het is niet bekrachtigd door de wetgever.

B.4. De prejudiciële vraag behoort dus klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof.'

Inderdaad, het Grondwettelijk Hof is niet bevoegd om koninklijke besluiten te vernietigen. Die bevoegdheid behoort aan de Raad van state toe. Ook in coronatijden.

Meer tags?