26/07/2012

Opheffing van Brusselse bijzondere bestemmingsplannen mag niet categoriek uitgesloten worden van milieueffectenbeoordeling

In arrest nr. 95/2012 van 19 juli 2012 vernietigt het Grondwettelijk Hof de artikelen 25 en 26 van de Ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 14 mei 2009 tot wijziging van de Ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 13 mei 2004 houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (BWRO). Beide bepalingen hadden betrekking op de mogelijkheid tot gehele of gedeeltelijke opheffing van een bijzonder bestemmingsplan. De opheffingsprocedure voorzag niet in de opstelling van een milieueffectenrapport in de zin van de plan-mer-richtlijn 2001/42/EG.
In antwoord op een prejudiciële vraag gesteld vanwege het Grondwettelijk Hof aan het Hof van Justitie, heeft het Hof van Justitie in arrest C-567/10 van 22 maart 2012 geoordeeld dat ook de intrekking van plannen of programma’s aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en dus een milieueffectenbeoordeling kunnen vereisen in de zin van de plan-mer-richtlijn 2001/42/EG.
In navolging van dit prejudicieel arrest van het Hof van Justitie oordeelt het Grondwettelijk Hof nu dat het BWRO, zoals gewijzigd door de Ordonnantie van 14 mei 2009, dat nooit een milieueffectenrapport vereist voor de gehele of gedeeltelijke opheffing van een bijzonder bestemmingsplan, in strijd is met de plan-mer-richtlijn 2001/42/EG:
 B.8.1. De procedure voor de opheffing van een BBP, zoals zij wordt beschreven in de artikelen 58 tot en met 63 van het BWRO, voorziet niet in het opstellen van een milieurapport.

De opheffing van een BBP met toepassing van de artikelen 58 en 59 van het BWRO, zoals zij zijn gewijzigd bij de artikelen 25 en 26 van de ordonnantie van 14 mei 2009, maakt dus niet het voorwerp uit van een milieubeoordeling in overeenstemming met de artikelen 3 tot 6 van de richtlijn van 27 juni 2001.
B.8.2. Die vaststelling volstaat echter niet om te besluiten dat de bestreden bepalingen onverenigbaar zouden zijn met die richtlijn.

De opheffing van een BBP zou immers slechts betrekking kunnen hebben op een « klein gebied op lokaal niveau » in de zin van artikel 3, lid 3, van de richtlijn van 27 juni 2001 of slechts als « klein » kunnen worden beschouwd in de zin van diezelfde bepaling. In die gevallen zou het kunnen dat de opheffing van een BBP niet dient te worden onderworpen aan een milieubeoordeling in de zin van die richtlijn, voor zover het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bepaalt dat een dergelijke opheffing geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben.

Daartoe zou het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest ofwel een « onderzoek per geval » moeten voeren, ofwel « soorten » BBP’s moeten specificeren ofwel beide werkwijzen moeten combineren. In de drie gevallen zou het Gewest rekening moeten houden met de relevante criteria van bijlage II van de richtlijn (artikel 3, lid 5, van de richtlijn van 27 juni 2001), en de instanties moeten raadplegen die, rekening houdend met hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied, met de milieueffecten van die opheffing te maken kunnen krijgen (artikel 3, lid 6, van de richtlijn van 27 juni 2001, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 3, van dezelfde richtlijn).

B.8.3. Alleen de regels met betrekking tot het opstellen en het wijzigen van een BBP bieden de bevoegde instanties van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest evenwel de mogelijkheid om na te gaan of een dergelijk plan aanzienlijke gevolgen voor het milieu kan hebben (artikelen 43 en 44 van het BWRO, respectievelijk gewijzigd bij de artikelen 19 en 20 van de ordonnantie van 14 mei 2009; artikel 52, tweede lid, van het BWRO; artikelen 55 en 56, tweede lid, van het BWRO).

In een dergelijke toetsing is niet voorzien voor de opheffing van een BBP.

B.8.4. Uit het voorgaande volgt dat de artikelen 25 en 26 van de ordonnantie van 14 mei 2009 onverenigbaar zijn met de artikelen 3 tot 6 van de richtlijn van 27 juni 2001 in zoverre zij elke opheffing van een BBP uitsluiten van een milieubeoordeling in de zin van artikel 2, onder b), van die richtlijn.
Overigens meent het Hof in hetzelfde arrest dat de procedure voor de aanneming van een plan voor erfgoedbeheer, zoals ingevoegd in het BWRO door de Ordonnantie van 14 mei 2009, dat evenmin voorziet in de opstelling van een milieueffectenrapport, de plan-mer-richtlijn 2001/42/EG niet schendt:
B.11.2. De artikelen 98, § 2/2, en 206, 10°, van het BWRO beschrijven de procedure voor de aanneming van het plan voor erfgoedbeheer.
Die procedure voorziet niet erin dat die aanneming wordt voorafgegaan door het opstellen van een milieueffectenrapport en a fortiori door een openbaar onderzoek met betrekking tot een dergelijk rapport.
B.11.3.1. Uit artikel 98, § 2/2, eerste, tweede, vijfde, zesde, achttiende, negentiende, eenentwintigste en drieëntwintigste tot vijfentwintigste lid, van het BWRO, alsook uit artikel 206, 10°, van hetzelfde Wetboek blijkt dat een plan voor erfgoedbeheer een beheerplan is voor een welbepaald onroerend goed of voor een welbepaalde groep van onroerende goederen die zijn beschermd of op de bewaarlijst zijn ingeschreven en de uit te voeren instandhoudingswerken en de eventuele fasering ervan bepaalt. De door het plan toegestane handelingen en werken kunnen worden uitgevoerd zonder dat daarvoor telkens een afzonderlijke vergunning of het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen is vereist.
Een dergelijk plan, dat veeleer de kenmerken heeft van een vergunning voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden ter bewaring van de historische, archeologische, artistieke, esthetische, wetenschappelijke, sociale, technische of volkskundige waarde van de betrokken onroerende goederen, kan niet worden gelijkgesteld met de plannen en programma’s bedoeld in Richtlijn 2001/42/EG. Die plannen en programma’s worden door de bevoegde overheden opgesteld die hun beleid op een aantal domeinen vaststellen. Wanneer zij worden uitgevoerd, kunnen zij aanleiding geven tot aanzienlijke milieueffecten, tot de realisatie van projecten zoals opgesomd in de bijlagen I of II van Richtlijn 85/337/EEG of tot het optreden van negatieve effecten op gebieden als bedoeld in Richtlijn 92/43/EEG (artikel 3 van Richtlijn 2001/42/EG). Een plan voor erfgoedbeheer is niet een dergelijk beleidsplan en de uitvoering ervan zal in de regel niet zulke gevolgen hebben.
B.11.3.2. Indien evenwel een bepaald plan voor erfgoedbeheer, bij de voorbereiding ervan, een plan of een programma blijkt te zijn als bedoeld in artikel 3 van Richtlijn 2001/42/EG, dan zal dat plan worden onderworpen aan een milieubeoordeling in de zin van artikel 2, onder b), van bedoelde richtlijn (artikel 3, lid 1, van de richtlijn).
De ordonnantie van 18 maart 2004 beoogt, volgens artikel 2 ervan, de omzetting van die richtlijn. Zij « is van toepassing op alle plannen en programma’s die door geen enkel wettelijk, verordenend of bestuursrechtelijk instrument aan een voorafgaande beoordeling van hun milieueffecten worden onderworpen die vergelijkbaar is met die waarin door de artikelen 4 tot 16 [van die ordonnantie] wordt voorzien » (artikel 17, § 2, tweede lid).
B.11.4. De omstandigheid dat het plan voor erfgoedbeheer in de regel niet onderworpen wordt aan een milieubeoordeling in de zin van artikel 2, onder b), van de richtlijn 2001/42/EG, is derhalve niet onbestaanbaar met de in het middel aangevoerde bepalingen.
Meer tags?