12/01/2012

Grondwettelijk Hof vernietigt deels de vijftigmeterregel bij planschade


In het arrest van het Grondwettelijk Hof van 15 december 2011 met
nummer 188/2011 vernietigt het Hof artikel 55, 3°, van het decreet van het
Vlaamse Gewest van 16 juli 2010 houdende aanpassing van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 en van het decreet van 10 maart 2006
houdende decretale aanpassingen inzake ruimtelijke ordening en onroerend
erfgoed als gevolg van het bestuurlijk beleid.

Dit artikel wijzigde artikel 7.4.11 VCRO over de overgangsregeling bij
planschade als volgt:

“3° aan het tweede lid na de woorden " de bepalingen van het decreet
betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals
dat gold op 31 augustus 2009 " worden de woorden " , met dien
verstande dat deze bepalingen geïnterpreteerd worden in die zin dat enkel de
eerste 50 meter vanaf de rooilijn in aanmerking komt voor planschade "
toegevoegd."


Met deze bepaling werd de regeling inzake de planschadevergoedingen voortvloeiend uit plannen van aanleg, beperkt tot de eerste 50 meter te rekenen van de rooilijn.

Het Hof oordeelt hierover als volgt:

“B.6.1. Noch in de parlementaire voorbereiding van de Stedenbouwwet of van de wetten tot wijziging van artikel 37 daarvan, noch in die van artikel 35 van het Coördinatiedecreet,
is de vijftigmeterregel inzake planschadevergoeding als zodanig ter sprake gekomen, terwijl in die wetteksten zelf een opsomming is opgenomen van gevallen waarin geen planschadevergoeding verschuldigd is. Uit het gegeven dat enkel zekere, actuele en objectief vaststelbare schade werd beoogd (Parl. St., Senaat, 1959-1960, nr.275, p.57), dat de planschadevergoeding een enigszins beperkte vergoeding moet betreffen, of nog dat rekening moet worden gehouden met de concrete feitelijke toestand en dus met de ligging van de grond, zoals de Vlaamse Regering betoogt, volgt niet dat van meet af aan als algemene regel is aangenomen dat enkel planschadevergoeding kan worden toegekend voor de strook binnen de eerste vijftig meter vanaf de rooilijn.

B.6.2. Onder verwijzing naar de geciteerde parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling betoogt de Vlaamse Regering nog dat de wet- en decreetgever hebben bepaald dat geen
planschadevergoeding wordt toegekend indien het betrokken stuk grond niet is gelegen aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, voldoende is uitgerust om te verkavelen of te bebouwen (artikel 37, tiende lid, 5°, van de Stedenbouwwet en artikel 35, tiende lid, 5°, van het Coördinatiedecreet) en dat daaruit volgt dat een stuk « achterliggende » grond of « verkavelingsgrond » dat niet is gelegen aan een voldoende uitgeruste weg niet in aanmerking komt voor planschadevergoeding. Uit die bepaling volgt niet dat de wet- en decreetgever redelijkerwijze konden hebben bedoeld dat de planschadevergoeding in alle omstandigheden is beperkt tot de strook binnen de eerste vijftig meter vanaf de rooilijn. Overigens, wanneer hij bij decreet van 18 mei 1999 een analoge planschaderegeling heeft aangenomen met betrekking tot de ruimtelijke uitvoeringsplannen, heeft de decreetgever de vijftigmeterregel niet ingevoerd
als een onderdeel van artikel 84, § 3, 1°, van het DRO (thans artikel 2.6.1, § 3, 1°, van de VCRO), maar als een aanvullende bepaling in artikel 84, § 3, 4°, ervan (thans artikel 2.6.1, § 3, 4°, van de VCRO).
Voorts, indien al mag worden aangenomen dat de diepte van 50 meter vanaf de rooilijn de gebruikelijke bouwdiepte is, wettigt zulks nog niet de conclusie dat de dieper liggende stukken grond van hetzelfde geheel - dat doorgaans ook in zijn geheel als bouwgrond of verkavelbare grond is verhandeld - per definitie niet voor bebouwing in aanmerking kunnen komen en geen recht kunnen geven op planschadevergoeding.

B.6.3. Uit het arrest van het Hof van Cassatie van 30 november 1990 (Arr. Cass., 1990-1991, nr.172) waaraan in de parlementaire voorbereiding is gerefereerd, is niet onomstotelijk op te maken dat het Hof van Cassatie toen de vijftigmeterregel heeft bevestigd. Het Hof concludeert enkel dat het bestreden arrest, zonder artikel 37 van de Stedenbouwwet te schenden, vermocht rekening te houden zowel met het voorheen door de overheid gevoerde beleid - en met name de eerdere weigering van een verkavelingsvergunning - als met de feitelijke situatie van de gronden aan de hand van de ligging aan een voldoende uitgeruste weg, de nabijheid van andere woningen en de technische geschiktheid voor bebouwing.
Voorts kunnen uit de rechtsleer die de Vlaamse Regering aanhaalt en waarin wordt verwezen naar niet bekendgemaakte rechtspraak die betrekking heeft op de criteria om uit te maken of een grond als bouwgrond kan worden aangemerkt, geen eenduidige conclusies worden getrokken over het hanteren, in de rechtspraak, van de vijftigmeterregel inzake planschadevergoeding.

Uit twee arresten van het Hof van Cassatie van 17 december 2009 (Arr. Cass., 2009, nrs.758 en 759) blijkt dat dat Hof de gelding van de vijftigmeterregel inzake planschadevergoeding zoals aangehaald in de grieven, verwerpt. In het tweede arrest oordeelt het Hof van Cassatie inzonderheid, in antwoord op de grief dat « achterliggende gronden, gelegen voorbij de gebruikelijke bouwdiepte (doorgaans 50 meter vanaf de rooilijn) [...] niet voor planschadevergoeding in aanmerking [komen] », dat « artikel 37 van de Stedenbouwwet het recht op planschadevergoeding niet [beperkt] tot het deel van het perceel grond dat zich situeert binnen de gebruikelijke bouwdiepte » en dat het middel, in zoverre het uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

B.6.4. Er bl
ijkt derhalve niet dat het bestreden artikel 55, 3°, van het decreet van 16 juli 2010 aan respectievelijk artikel 37 van de Stedenbouwwet en artikel 35 van het Coördinatiedecreet een betekenis geeft die de wetgever of de decreetgever bij de aanneming ervan heeft willen geven en die zij redelijkerwijze konden krijgen.”

Let wel, het betreft hier de vijftigmeterregel die wordt gehanteerd bij toepassing van artikel 7.4.11 VCRO, dat bepaalt:

"Vorderingen tot betaling van planschadevergoedingen die zijn ontstaan uit eerdere plannen van aanleg, worden afgehandeld overeenkomstig de bepalingen van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals dat gold op 31 augustus 2009, met dien verstande dat deze bepalingen geïnterpreteerd worden in die zin dat enkel de eerste 50 meter vanaf de rooilijn in aanmerking komt voor planschade".

Met “ontstaan uit eerdere plannen van aanleg” bedoelt men de plannen van aanleg van vóór 1 september 2009.

Met het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening wordt de vergoeding van planschade die het gevolg is van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, geregeld in de artikelen 84 tot 86 van het DRO (nu de artikelen 2.6.1 tot 2.6.3 van de VCRO).

Dit arrest heeft dus geen gevolgen voor de algemene vijftigmeterregel zoals vervat in artikel 2.6.1. §3, 4° van de VCRO met betrekking tot planschade als gevolg van de ruimtelijke uitvoeringsplannen.
Stel hier je vraag bij dit blogbericht


Grondwettelijk Hof Planschade & planbaten
Meer tags?