29/04/2020

#coronavirus (46). Geen wijziging in de wachttermijn bij overheidsopdrachten en concessies omwille van corona?

De wachttermijn om tot de sluiting van een overheidsopdracht of concessie over te gaan wordt in artikel 11 van de wet van 17 juni 2013 betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies op 15 kalenderdagen bepaald.

Tot op heden wordt deze termijn nergens verlengd omwille van de coronacrisis. Wanneer binnen deze termijn geen vordering tot schorsing is ingesteld, kan de aanbestedende overheid tot de sluiting van de opdracht overgaan.

De vervaltermijn om een vordering tot schorsing in te dienen wordt in artikel 23 § 3 van voormelde wet eveneens bepaald op 15 kalenderdagen, waarbij wat de aard van de procedure en de bevoegde verhaalsinstantie betreft, een onderscheid gemaakt wordt naargelang de aanbestedende overheid al dan niet een administratieve overheid is. 

In het geval dat de aanbestedende overheid een administratieve overheid is, is de Raad van State bevoegd en moet het schorsingsberoep worden ingediend middels een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid (UDN). Bij een niet-administratieve overheid wordt het schorsingsberoep ingediend middels kortgeding voor de 'gewone rechter', m.a.w. de burgerlijke rechtbank dan wel de ondernemingsrechtbank, naargelang de aanbestedende overheid zelf al dan niet te beschouwen is als een onderneming.

Middels artikel 1 van het KB nr. 2 van 9 april 2020 m.b.t. de verlenging van de verjaringstermijnen en de andere termijnen om in rechte te treden, alsmede de verlenging van de termijnen van de rechtspleging en de schriftelijke behandeling voor de hoven en rechtbanken (BS 9 april 2020) "worden, in afwijking van de wettelijke en reglementaire bepalingen en onverminderd de door de bevoegde overheid getroffen of te treffen regelingen, de verjaringstermijnen en de andere termijnen om een vordering in rechte in te stellen bij een burgerlijk gerecht die verstrijken vanaf de datum van de bekendmaking van dit besluit tot en met 3 mei 2020, einddatum die door de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit kan worden aangepast, van rechtswege verlengd tot één maand na afloop van die in voorkomend geval verlengde periode". De vraag rijst of dit ook geldt voor de verhaaltermijn in kortgeding van 15 dagen. Artikel 1 lijkt alvast geen onderscheid hierin te maken. Desalniettemin blijft de vaststelling dat de wachttermijn van artikel 11 niet verlengd werd.

Wat de termijnen voor de Raad van State betreft, dient verwezen te worden naar het KB nr. 12 van 21 april 2020 m.b.t. de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken (BS 22 april 2020). Artikel 1, laatste lid van dit KB nr. 12 bepaalt uitdrukkelijk dat de verlenging van het eerste lid "niet van toepassing is op vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en op vorderingen tot het bevelen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingediend in de periode bepaald in het eerste lid".

Moraal van het verhaal:

- Dien zeker bij de Raad van State een UDN binnen de 15 dagen in

- Neem ook in procedures voor de burgerlijke rechter en ondernemingsrechtbank geen risico en stel ook hier veiligheidshalve een vordering tot schorsing (kortgeding) binnen de 15 dagen in.

Meer tags?