07/10/2019

Loutere verwijzing naar vernietigingsarrest van de Raad van State is geen voldoende draagkrachtig motief bij herbeslissing

Met arrest nr. 243.163 van 6 december 2018 vernietigde de Raad van State de beslissing van de Beroepscommissie in Tuchtzaken. De Raad van State oordeelde dat de (vernietigings-)beslissing van de Beroepscommissie wezenlijk beperkt was tot een ontkenning van het bewezen-zijn van het tuchtfeit en dat er te weinig rekening werd gehouden met elementen die de gemeenteraad in zijn uitvoerige motivering deed gelden. De Beroepscommissie sprak zich opnieuw uit en stelde ‘gelet op het gezag van gewijsde van de overwegingen in het tussengekomen arrest is de Beroepscommissie er in de gegeven omstandigheden toe gehouden om vast te stellen dat de door de beroepsindiener aangehaalde argumenten als ongegrond dienen te worden afgewezen en dat de bestreden beslissing dient te worden gehandhaafd’.

Dit is aldus de Raad van State in het schorsingsarrest nr. 245.597 van 1 oktober 2019 , prima facie, te kort door de bocht:

‘Waartoe het arrest [van 6 december 2018] de Beroepscommissie op het eerste zicht wel – en slechts – verplicht is tot een nieuwe uitspraak over verzoekers administratief beroep tegen de gemeenteraadsbeslissing van 5 mei 2015 waarbij zij niet haar eigen oordeel over het al dan niet bewezen-zijn van de tegen verzoeker in aanmerking genomen tuchtfeiten geeft, maar aan de hand van de elementen die de gemeenteraad in zijn motivering deed gelden, beoordeelt of de zienswijze hieromtrent van de gemeenteraad binnen de grenzen van het recht, inbegrepen de redelijkheid is gebleven.

Bijgevolg lijkt de Beroepscommissie, door in de bestreden beslissing (…) het administratief beroep van verzoeker af te wijzen, omdat uit het arrest van de Raad van State zou volgen dat het door de stad W. opgelegde tuchtstraf geenszins als niet-bewezen of als kennelijk onredelijk kan worden beschouwd’ en dat ‘de door de beroepsindiener aangehaalde argumenten als ongegrond diende te worden afgewezen’, een foutieve invulling te geven aan het gezag van gewijsde van het arrest nr. 243.163 van 6 december 2018, en heeft het administratief beroep van verzoeker op het eerste zicht niet zorgvuldig en deugdelijke beoordeling gekregen die vereist is’.

Het lijkt erop dat de Beroepscommissie zich zodoende ten derde maal zal moeten buigen over dezelfde zaak.